De dagelijkse gang van zaken

Het Kamp was strak georganiseerd. Als de gevangenen het kamp binnen kwamen, werden zij geregistreerd. Men had geen naam meer, maar kreeg een nummer en het merkteken dat ze op hun kleding moesten dragen, zodat duidelijk was bij welke groep ze hoorden volgens de kampleiding. Het nummer was vanaf dat moment de  aanspreektitel voor de gevangenen. Iedereen kreeg een soldatenhemd , soldatendonderbroek, soldatenbroek, een paar voetlappen, een tuniek en in de winter een overjas en beenwindsels en men liep op klompen. Al deze kleding waren oude soldatenuniformen en er werd niet gekeken naar de pasvorm. De uniformen werden door meerder gevangenen na elkaar gedragen en tussendoor werden ze niet gewassen. Het kwam regelmatig voor dat het bloed of vuil van de vorige gevangenen nog in de kleding zat.

Appèls

In het PDA waren de appèls het meest berucht. Op de zanderige appèlplaats moesten de gevangenen zich in rijen opstellen. Vervolgens begon het richten, dat hield in dat de rijen precies recht moesten zijn. Hier namen de bewakers goed de tijd voor. Daarna volgden er allerlei Duitse commando’s zoals Mutsen op, mutsen af, hoofden links, hoofden rechts. Ook strafexercities hoorden tot de dagelijkse gang van zaken. Dat betekende dat gevangenen in de modder moesten gaan liggen en kniebuigingen moesten maken.

Straffen

Tijdens de appèls werden de gevangenen die zich gedurende de dag ‘misdragen’ hadden, nog eens extra gestraft. In het kader van het bijbrengen van discipline was fysiek geweld een vast onderdeel van het regime in het kamp. Er was geen systeem voor de martelingen, het was puur op willekeur van de kampleiding gebaseerd. Omdat niemand naar buiten toe verantwoording hoefde af te leggen over wat er in het kamp gebeurde, kon de leiding zijn gang gaan. Een veel voorkomende straf in het PDA was het Am Tor Stehen. Das Tor was de binnenpoort tussen het bewakings-en het gevangenengedeelte van het PDA. Aanvankelijk was het een eenvoudig hek van prikkeldraad. In de tweede periode van het kamp werd het een stenen binnenpoort met een wachthuis. Naast de binnenpoort bevond zich een terrein van 3 bij 50 meter dat afgebakend was met een dubbele rij prikkeldraad. Dit werd de rozentuin genoemd en werd gebruikt als strafplaats. Men moest hier uren, soms dagen lang blijven staan. Stil staan en verder niets. In elke weeromstandigheid. Andere straffen waren het inhouden van het voedsel of het toedienen van stokslagen. Die stokslagen werden toegediend in het bijzijn van andere gevangenen. Zwaarder gestraften belandden in de bunker. Dit was een betonnen barak met cellen. Een gevangene werd hierin met handen en voeten aan ijzeren kettingen geketend.

Werkcommando’s

Naast de martelingen en het geweld, was hard werken een ander middel dat de kampleiding toepaste om de gevangenen de vereiste discipline bij te brengen. De gevangenen werden in werkcommando’s ingedeeld. In de eerste periode van het Kamp stonden de werkzaamheden van deze commando’s in het teken van uitbreiding van het Kamp. Groepen gevangenen hielden zich bezig met de prikkeldraadversperring, hout halen, koken, aardappels schillen enz. In een ‘gunstig’ commando werden gevangenen minder opgejaagd en mishandeld. Uit puur lijfsbehoud probeerden veel gevangenen zich te drukken en wat eetbaars te ‘organiseren’. De joodse gevangenen werden in het algemeen ingedeeld bij de zware commando’s. Bij elke misstap of vermeende misstap kon de gevangene rekenen op een afranseling. Alle werkcommando’s samen vielen onder de leiding van de Arbeitsdienstfuhrer, een Kamp-SS’er. Elk werkcommando had zijn eigen leiding en dat waren de Vormänner. Dit waren zelf gevangenen die de leiding hadden over een groepje werkenden.

Buiten het PDA, aan de overzijde van de weg, werd een schietbaan aangelegd. In de voet van de Amersfoortse Berg werd een lange rechte sleuf uitgegraven. Het zand werd in eerste instantie gebruikt voor de bouw van de stenen barakken (tweede helft van 1942).

Later werd het zand bij het lagere deel als talud opgeworpen. Het uitgraven gebeurde door uitgehongerde, vaak mishandelde gevangenen, waarbij ze eenvoudig gereedschap mochten gebruiken. Dit werk werd vaak door gestrafte en/of Joodse gevangenen gedaan. Ze moesten het graven in hoog tempo uitvoeren. Het zand werd verplaats in kruiwagens of draagkistjes die door twee mannen gedragen moesten worden. Als het tempo niet hoog genoeg was of als er iets mis ging, of als de bewakers er zin in hadden werden de gevangenen geslagen en geschopt. In dit buitencommando moesten de gevangenen alle dagen, behalve zondag, negen uur dwangarbeid verrichten. Daar kwamen de appèls dan nog bij. Andere buitencommando’s werkten op de Luchthaven Soesterberg of in fabrieken in Amersfoort. Er waren ook werkcommando’s die zorgden voor het hout in het kamp. Er was het Grobholzkommando en het Feinholzkommando. De eerste groep zaagde bomen om en sleepte het hout naar het kamp en de tweede groep zorgde dat het hout in kleinere stukjes gehakt werd om kachels te stoken, te verkopen of houten speelgoed van te maken in het ALBA kommando.

Voedsel

Niet alleen het werken was heel zwaar in de eerste periode van het kamp; het was ook een kamp waar slecht eten was voor de gevangenen. Het PDA was van augustus 1941 tot maart 1943 een hongerkamp. De gevangenen ontvingen per dag een kwart broodje, een klein brokje margarine een miniem stukje kaas en soms wat jam. Een heel enkele keer kregen ze een stukje worst. Het middageten bestond uit ongeveer een halve liter koolsoep van slechte kwaliteit. Door deze maaltijden kregen de gevangen ongeveer 1300 a 1400 calorieën binnen, terwijl een normale volwassen ongeveer 2500 calorieën nodig heeft. Het gebrek aan eten en de zware arbeid zorgde voor sterke vermagering van de gevangenen, verminderde weerstand, afstomping en depressiviteit. Door de honger kwamen er veel voedseldiefstallen voor. Men stal uit de keuken, maar zeker ook van elkaar. Door de honger gedreven werden de gevangenen dieven, vechtersbazen en ondernamen ze pogingen om te ontsnappen. Als gevolg van de gebrekkige hygiëne en het gebrek aan voedsel leidden veel gevangenen aan hongeroedemen, infecties, slecht genezende wonden, dysenterie en algehele verzwakking. Eind januari 1942 had dertig procent van de gevangenen hongeroedeem. De kampleiding deed geen enkele poging om de situatie in het kamp te verbeteren.

Laatste nieuws en blog